“Hele random vraag”, appt een van je vriendinnen.
“Hele random vraag”, appt een van je vriendinnen. “Heb jij toevallig die grijze trui van mij ergens gezien? Die met die col en die hele lange mouwen?” Met de mouw van de trui in kwestie dep je het zweet van je bovenlip. “Mmm, niet dat ik weet. Welke trui is dat dan?”
Terwijl je vriendin de trui die jij al acht maanden non-stop draagt van de kraag tot de loszittende zoom aan de achterkant beschrijft probeer jij koortsachtig te reconstrueren of ze zich nog zou kunnen herinneren dat je ze je die trui heeft gegeven toen jij vorige zomer in een sloot kukelde toen je stomdronken probeerde te fietsen en tegelijkertijd whatsappend een scharrel naar je huis lokte. “Er zit een vlek in de vorm van een badeend op, bij je navel ongeveer”, gaat je vriendin verder.
Ze kan zich onmogelijk herinneren dat ze die trui aan je heeft uitgeleend, denk je. Want hoewel jij die avond in de sloot gefietst bent heeft zij diezelfde avond veertien terrasstoelen in de plomp gekieperd en bij thuiskomst het waterbakje van de kat leeggedronken. Maar waarom vraagt ze jou dan of jij die trui gezien hebt?
“Ooohhh, ik weet over welke je het hebt”, zeg je. Ze weet het. Ze weet het, verdomme. Je bent nota bene vorige week nog met die trui om je schouders dwars door de story van een gemeenschappelijke vriend gelopen als een drenkeling op het journaal.
Het is nu een kwestie van volhouden. Goede vriendinnen verbergen niet acht maanden lang dat ze al die tijd in een trui rondparaderen die bij nader inzien misschien wel door haar oma gebreid is die een paar weken geleden plotseling is overleden, om als ze betrapt worden heel schijnheilig te reageren met ‘oh shit, die heb ik ja!’. Goede vriendinnen proppen de trui in een plastic zak in een oude reiskoffer in de trapkast en ontkennen tot het einde der dagen dat ze die trui met een vinger hebben aangeraakt. “Ik bedenk me ineens: had jij die niet aan Eline uitgeleend?”