Het waait flink - de zomer lijkt maar geen vaste voet aan de grond te krijgen.
Het waait flink - de zomer lijkt maar geen vaste voet aan de grond te krijgen. Het perron is verlaten. De conducteur blaast op zijn fluit. Strikt genomen een overbodige handeling, want de kans dat er nu nog mensen aan boord stappen van de Sprinter naar Oosterbeek, is nihil.
In die Sprinter zit journalist Rik de Vries. Hij zucht. Hij is bezig met een reportage, maar heeft nog geen idee hoe hij die moet beginnen. Moet hij meteen de probleemstelling opschrijven, zodat de lezer direct een goed beeld heeft waar het stuk over gaat? Of moet hij beginnen met een sfeerbeschrijving, en de lezer een paar alinea’s in het ongewisse laten?
Rik de Vries staat niet alleen. Het is een probleem waar steeds meer journalisten tegenaan lopen: hoe begin je een reportage? Voor De Vries is het vaak een kwelling. “Je hebt je hele stuk af. Het is een heel begrijpelijk verhaal geworden, met een kop en een staart. Maar ja, dan komt het: hoe begin je zo’n verhaal nu zo onbegrijpelijk mogelijk? Ik kan daar echt uren over piekeren.”
Aangekomen in Oosterbeek is De Vries er nog steeds niet uit. “Over de begrijpelijkheid van mijn stuk over inkomensongelijkheid maak ik me geen enkele zorgen. Maar hoe zorg ik er nou voor dat de openingsscène zó cryptisch is, dat de lezer meteen al afhaakt? Dáár draait journalistiek om.”
[newsletter]